Verjaring
Om te verhinderen dat een vordering door verjaring niet meer geïnd kan worden, is het van belang de dienovereenkomstige verjaringstermijnen te kennen.
Na herziening van het verjaringsrecht bedraagt de gebruikelijke verjaringstermijn 3 jaar, bij aanspraken op grondstukken 10 jaar.
De verjaring gaat in op het einde van het jaar waarin de aanspraak is ontstaan. Als er in 2003 aan een klant goederen werden geleverd, dan begint met ingang van 01.01.2004 de 3-jarige verjaringstermijn die op 31.12.2007 afloopt.
Verder verjaren na 30 jaar o.a. rechtsgeldige aanspraken (vonnissen, tenuitvoerleggingsbevelen) alsmede schikkingen of oorkondes die ten uitvoer gelegd kunnen worden. De verjaring wordt opnieuw van kracht indien de debiteur tegenover de crediteur de vordering erkent door middel van een
- aanbetaling,
- rentebetaling
- garantie
- of op andere wijze.
De verjaringstermijn treedt in principe ook opnieuw in werking door het aanvragen of uitvoeren van een door de rechtbank of officiële instantie uitgevaardigde tenuitvoerlegging.
Het verloop van de verjaringstermijn kan ook opgeschort worden b.v. vanaf het moment dat er tussen de crediteur en de debiteur een afbetalingsregeling is getroffen. In tegenstelling tot een nieuw begin van de verjaringstermijn, wordt de verjaringstermijn bij een opschorting voor de duur van de opschorting verlengd.

